Het meisje dat wilde vliegen.

Het meisje dat wilde vliegen.

Een sprookje, over een meisje, dat alleen maar goed voor de dieren was, en wilde vliegen, om bij hen in de lucht te zijn.

Het meisje dat wilde vliegen.

Onder een mooie eik, aan de rand van het bos, zat een meisje in de schaduw van de boom. Zij zat daar graag. Daar had zij rust, werd ze niet gepest door de andere kinderen uit het dorp, en kon ze ongestoord urenlang naar de vogels kijken die hoog in de hemel vlogen.

“Kon ik maar net als jullie vliegen” sprak ze zachtjes. “Dan zou ik voor alle dieren in het bos mijn mooiste liedjes fluiten”.

Op dat moment leek het wel of de oude statige eik haar bladeren ritselde. ‘Huh? Nee, ik zal het mij wel verbeeld hebben’ zei Siri. Daarna stond zij op, en begaf zich op weg naar school. Iedere dag, als zij op het schoolplein aankwam, begonnen de kinderen te lachen.

“Kijk, daar heb je gekke Siri!” riepen ze. “Heb je nog geen veren onder je armen geplakt, zodat je kan vliegen? Kom fladder eens met je armen! Misschien lukt het je wel!”

Siri werd daar zeer ongelukkig, en iedere dag steeds stiller van. Ze werd zo ongelukkig, dat ze op een dag besloot om nooit meer de mensentaal bij de mensen te gebruiken. Als iemand haar wat vroeg, dan floot ze een deuntje, en liep dan door.  Trouw ging ze iedere dag naar ‘haar eik’ aan de rand van het bos, en het beekje dat er vlakbij liep. Omdat ze niemand had om mee te praten, praatte ze vaak tegen de eik. Aan hem deelde ze haar diepste gevoelens en fantasieën. Waarom ook niet? Hij kon prima luisteren, vond ze.  Ze gaf de eik zelfs een naam.

“Jij bent mijn beste vriend. Daarom noem ik je Vriend.”

Als ze op dat moment goed had gekeken, kon ze zien dat de kruin van de eik een klein beetje bewoog.  Hoe beter Siri de mensen begon te begrijpen, hoe meer ze van de dieren ging houden.

Zo had ze een week geleden een klein jong vosje uit een strik weten te bevrijden.  Eenmaal bevrijd, zwaaide het vosje vrolijk met zijn staart, en rende daarna het dichte struikgewas in.

“Bah, wat gemeen om zo’n val te plaatsen.” zei Siri, en ze vernietigde de strik, zodat deze onbruikbaar werd.

De dag daarop nam ze een schep mee van thuis. Daar bij de strik, groef ze een grote kuil, bedekte de bovenkant met takken en bladeren, en liep fluitend weg. Siri was altijd goed voor de dieren. Waar ze ook maar kon, hielp ze hen. Of dat nu een dier in het bos was, of een mooie vis uit de beek bij de eik, dat maakte niet uit. Haar ouders vonden het in het begin niet zo erg dat ze een gewond of verdwaald dier mee naar huis nam om het te verzorgen. Maar na een paar maanden werd de stal waarin ze werden verzorgt, een beetje vol.

“Onze boerderij begint nu op een dierentuin te lijken Siri!” zei haar vader op een dag. “Dit kan echt niet meer zo langer!”

– “Ja, maar, wie gaat hen dan verzorgen?” dacht Siri. Dit zijn mijn vrienden.

Haar vader maakte Siri duidelijk dat alle dieren binnen een week weg moesten, en dat ze maar eens echte vrienden moest gaan maken. Siri wilde daar niets van weten, en bleef trouw iedere dag fluitend haar vrienden verzorgen. Toen Siri op een dag uit school kwam, was de stal leeg…

“We hebben ze allemaal in het bos gezet.” zeiden haar ouders. “We zijn jou liefde voor de dieren nu zat.”

Siri snikte. Tussen haar tranen door dacht ze: “Hoe zit het met jullie liefde voor mij?”

Daarop rende ze weg het bos in. Steeds harder en verder van haar ouders en boerderij. Wanhopig zocht ze naar haar dierenvrienden, maar ze kon er niet een vinden. Na twee dagen zoeken keerde ze terug naar haar eik. Naar die plek waar ze zich altijd gelukkig voelde. Onder aan de stam zat ze verdrietig voor zich uit te staren.

“Waarom huil je zo?” hoorde ze ineens. “Kom, vertel me eens waarom. Ik ben jouw Vriend toch?”

-”Maar jij kan praten?” vroeg Siri ongelovig.

De eik ritselde al haar bladeren als teken van bevestiging.

“Nee, ik kan niet echt praten.” zei de eik. “Jij vangt mijn gedachten op.”

Daarna werd Siri even stil om dit allemaal te kunnen begrijpen. De eik begon langzaam uit te leggen, hoe de natuur in elkaar zat. Hoe de dieren met elkaar leefden, en dat zelfs alle bomen met elkaar konden communiceren. Siri wilde er meer en meer van weten. Urenlang luisterde ze naar de oude, wijze eik.

“Ik heb al twee dagen niets gegeten, en begin nu echt honger te krijgen.” zei Siri op een gegeven moment.

– “Dat mag toch geen probleem zijn.”antwoordde de eik. “ Ik zal je uitleggen welke bessen, noten, bloemen en bladeren je kunt eten, en hoe je zelfs van een paar dennennaalden thee kan zetten. Het is allemaal veel gezonder dan wat de meeste van jullie mensen eten.”

De gedachte, dat ze terug naar huis moest met een lege maag, en een lege stal te zien, was genoeg om de raad van haar vriend de eik meteen aan te nemen. Natuurlijk kon ze niet alles op een plek vinden. Ze moest haar best doen om te vinden wat de eik haar vertelde. Net toen ze het een beetje wilde gaan opgeven, sprong het vosje dat zij eerder uit de strik redde, uit de struiken. Vrolijk ging zijn staart weer op en neer.

-”Volg mij maar. Ik weet precies waar je moet zoeken.”

Siri volgde het vosje steeds verder het bos in, totdat zij bij een meertje aankwamen waar de heerlijkste bramen, en bessen aan struiken groeiden.

-”Ik snoep er soms ook van.” zei het vosje, terwijl het om Siri heen danste.

Siri begon haar maag te vullen, en dronk van het heerlijke zuivere water. Precies zoals het vosje haar voordeed.

“Dit eten, zo puur uit de natuur is het lekkerste dat ik ooit heb gegeten.”

-”Wil je mijn vriend de beer ontmoeten? Bij hem kan je overnachten in een grot waar het droog is. We zullen dan samen een bedje van mos maken. Dat houdt je wel warm. Je hoeft niet bang voor hem te zijn. Alle dieren weten nu ondertussen dat jij andere dieren helpt. Niemand zal jou iets aandoen.” zei het vosje heel serieus.

De beer bleek inderdaad heel vriendelijk te zijn. Met zijn grote klauwen, was het benodigde mos snel bij elkaar geraapt voor een zachte slaapplaats.

–“Ik kom wel naast je liggen.” zei de beer. “Ik bescherm je. Mijn vacht zal je warm houden.”

De volgende ochtend, toen de zonnestralen de ingang van de grot verlichtte, werd Siri uitgerust wakker.

“Wat heb ik zalig geslapen met deze natuurlijke geluiden. Ik hoorde de krekels, de vogels, en de wind, en dat gaf mij zoveel rust. Wat vreemd dat ik dat nooit eerder heb ontdekt.”

-”Dat komt.” zei de beer “Omdat de mensen vroeger ooit een met de natuur waren, maar door de eeuwen heen het contact ermee zijn verloren. De mensen leefden vroeger in harmonie met ons. Het zijn  hebzuchtige wezens geworden, die andere levensvormen niets waard vinden. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, en hen wacht dan ook een grote verrassing! Het is een geheim dat alle dieren kennen! ”

Op dat moment sprong haar vriend de vos, wel een meter in de lucht. “Jaaaaaah.” riep hij. “Een heel groot geheim ! Je zou eens moeten weten!”

Nu werd Siri ineens erg nieuwsgierig. Want wie wilde er zo’n mooi geheim nou niet weten? Ze vroeg de beer en de vos vroeg wat het geheim was, maar beiden schudde ze hun hoofd.

“Toe, asjeblieft. Vertel het mij!” zei ze

Zonder dat Siri er erg in had, waren er ondertussen andere dieren om haar heen gaan staan. Ze waren allemaal druk met elkaar in gesprek. Maar toen er een witte uil boven hun hoofd vloog, werden ze allemaal stil.

-”Mijn naam is ‘Witte Veder’” zei hij, nadat hij op een tak neerstreek.

“Wij houden jou al een tijdje in het oog. Wees gerust. Alle dieren die jij verzorgde hebben wij opgevangen. Het gaat hen goed. Mede dankzij jou. We hebben je verhalen van je vriend de eik gehoord. We zien hoe goed je voor de natuur en al haar wezens die daarin leven bent. Maar toch…je bent een mens. En mensen staan erom bekend dat ze op het laatste moment bijna altijd voor hun eigen soortgenoten kiezen ten kostte van een dier.

Ben je bereid om een test af te leggen? Om te zien of je ons grote geheim waard bent?

Denk er goed over na, want als je de test niet haalt…dan zal dat ernstige gevolgen hebben.”

Daar hoefde Siri niet lang over na te denken, en meteen knikte ze ja.

-”Volg mij maar.” zei het vosje. “We gaan nu terug naar de kuil die je hebt gegraven.”

Bij de kuil aangekomen, zag Siri al snel dat de takken en balderen er niet meer op lagen. Heel voorzichtig kroop ze dichterbij, om te zien wie of wat er in was gevallen. Ze stak haar hoofd over de rand, en keek recht in de ogen van een heel boze jager. Om zijn nek droeg hij talloze konijnenpootjes, en op de bodem van de kuil lag een dode fazant die hij eerder had afgeschoten. Hij begon meteen te bulderen. -”Heb jij deze kuil gegraven? Haal mij er onmiddellijk uit! Anders zal je straks wat beleven!”

“Waarom zou ik jou eruit halen? Jij vermoord mijn vrienden, en je bent ook niet echt aardig tegen mij. Je hebt met die strik mijn vriend Vos pijn gedaan. Besef je dat eigenlijk wel? Waarom ben je eigenlijk op jacht op dieren? Zij doen je toch niets? ”

-”Wat kan mij die dieren schelen!” schreeuwde hij. De jager werd zo boos dat hij plotseling zijn geweer op het vosje richtte om het te doden, toen het ook even een kijkje kwam nemen over de rand van de kuil. Net op tijd duwde Siri haar kleine vriendje opzij. Het schot mistte hen beiden maar nauwelijks. Siri liep weg van de kuil.

“Als ik die jager eruit haal, dan wordt hij een gevaar voor jullie allemaal. Ik laat hem daar zitten. Kom we gaan.”

De witte uil die hen stiekem was gevolgd, vloog ineens op, scheerde rakelings over hun hen heen, en liet uit zijn poten een mooie witte veer op haar hoofd neer.

“Hoera, hoera!” riep Vos. “Je bent geslaagd! We moeten nu terug naar de grot! Daar wachten ze allemaal op ons!”

Witte Veder nam het woord. “Slechts weinigen durven hun leven te wagen om een dier te redden. Maar jij twijfelde geen moment. Daarom mag jij ons grote geheim nu weten.”

Op dat moment namen alle dieren een menselijke vorm aan.

“Ooit waren wij ook mensen.” zei de beer. “Ook wij werden door de andere mensen belachelijk gemaakt, gepest, of verstoten. En ook wij hielden enorm veel van de natuur en alle dieren die er in leven.”

Een kleine jongen die eerder het vosje was, stapte naar voren, met in zijn handen twee schaaltjes waar een drankje in zat.

“We geven je nu de keus Siri. Òf je drinkt het linker schaaltje leeg, en je wordt een dier naar keuze, net zoals wij dat werden, òf je drink het rechter schaaltje leeg, en dan zal je alles vergeten. Want ons geheim, moet ons geheim blijven.”

Siri nam het linker schaaltje in haar hand en voordat zij daarvan begon te drinken, keek ze nog een keer naar de jongen die ze tot nu toe als een vosje kende.

“Ik wil graag bij jullie blijven.” zei ze. “En als ik mag kiezen, dan wil ik graag een vosje worden, zodat we altijd samen kunnen spelen.”

Daarop sloeg een man met een lange witte baard, die Witte Veder was, drie maal met zijn handen op zijn borst. “Zo zal het gaan gebeuren!” riep hij.

Nadat Siri het schaaltje had leeggedronken, veranderde ze in een mooi klein vosje. Alle andere mensen namen daarop hun dierengedaante weer aan. De beren brulden, de wolven huilden, de vogels tjilpten, de bevers sloegen met hun staarten op de grond, en de herten trappelden met hun hoeven. Ieder dier liet op zijn of haar manier van zich horen, ten teken dat zij hun nieuwe lid in het bos verwelkomden.

Vanaf die dag had Siri een mooi en gelukkig leven tussen echte vrienden.

“Maar wat moeten we met die vreselijk jager doen?” vroeg ze. “Misschien heeft hij geluk, en vindt iemand hem per ongeluk.”

Een grote haas, die een flink stuk van zijn oor mistte, trad naar voren.

-”Laat hem maar aan mij over. Hij heeft veel familieleden gevangen en opgegeten. Ik heb nog een worteltje te schillen met hem.”

Hij floot een keer heel fel, en daarop verschenen wel bijna honderd andere hazen. Samen liepen ze naar de kuil. Vervolgens gingen ze in een kring om de kuil staan. Daarna draaiden ze hun rug om naar de gevangen jager, en begonnen allemaal tegelijk met hun achterpoten grond naar beneden te gooien. Zo werd de jager, terwijl hij lag te slapen, razendsnel bedolven onder twee meter aarde.

Na hun arbeid, lieten de hazen een enorme berg keutels achter, en tevreden keerden zij naar huis.

Nu weten jullie dus allemaal, dat, als je een berg hazenkeutels in de natuur tegenkomt, dat daar wel eens een heel naar mens begraven kan liggen.

Siri bleef met haar vriend Vos de eik nog vaak bezoeken. Samen zaten ze dan onder de boom naar de zonsondergang te kijken. Want dat doen verliefde vosjes nu eenmaal.

Geschreven door Marco Pothuizen.

Terug naar verhalen van Marco Pothuizen.